Persistentie en levensduur

Persistentie, dat resulteert in een relatief vlakke lactatiecurve, wordt gezien als een belangrijk kenmerk voor economie, gezondheid en levensduur. Er is daarom ook veel onderzoek gedaan naar de kenmerken van persistentie, de erfelijkheid en welke factoren invloed hebben. Bij een niet-persistente koe daalt de productie na de piek relatief snel. Bij een persistente koe gaat dat veel geleidelijker. Vaarzen zijn met het meest persistent en met het ouder worden neemt de persistentie af. Dit staat los van het productieniveau; zowel hoogproductieve als laagproductieve koeien kunnen meer of minder persistent zijn. De hoogte van de productiepiek en het verloop daarna zijn mede genetische bepaald.

Weinig persistentie kan bij een relatief hoge productie de koe zwaar belasten en verhoogt de kans op gezondheidsproblemen. Een koe die niet persistent is heeft een diepere negatieve energiebalans, een grotere kans op ketose, verminderde weerstand en een slechtere vruchtbaarheid. Maar dat hangt natuurlijk ook af van de absolute hoogte van de productie. Persistentie zal bij een lage productie minder effect hebben dan bij een hoge productie. Uit onderzoek is ook bekend dat een hoge productie negatief gecorreleerd is met de levensduur. Dus de combinatie van een hoge productie met een lage persistentie is een serieuze bedreiging voor de gezondheid en levensduur. De hogere productie komt vooral uit de piekperiode. De beste strategie is om in alle gevallen een maximale persistentie te bereiken: een beperkte piek met een vlakke lactatiecurve. Een daar hoort dan weer een tussenkalftijd op maat bij.

Persistentie en economie

Uit onderzoek blijkt dat de kosten per kg melk sterk worden bepaald door de persistentie van de lactatiecurve. Bij een persistente productie zijn de kosten per kg melk beter verdeeld over de gehele lactatie. Hoge piekproducties kosten in verhouding veel (duur) krachtvoer en bij een vlakkere productiecurve kan het aandeel (eigen) ruwvoer worden verhoogd wat leidt tot lagere voerkosten per kg melk. Ook blijkt uit onderzoek dat het verhogen van de persistentie de melkproductie per saldo verhoogt. Dan kan oplopen tot meer 700 kg melk per lactatie. Overduidelijk is ook dat persistente koeien een aanzienlijk hoger levenssaldo bereiken.

Bij de figuur. Een lage persistentie geeft een hoge productiepiek, een scherpere daling daarna en een minder vlakke lactatiecurve. Met name bij hoog productieve koeien is een hoge persistentie met lage productiepiek belangrijk. Door de vlakker lactatiecurve stijgt de productie terwijl tegelijkertijd door de lagere piek de kans op transitieproblemen afneemt. (Bron figuur: Molenaar A.J.)

Kenmerken van persistentie

De persistentie wordt gekenmerkt door de hoogte van de productie bij de start van de lactatie, de snelheid waarmee de productie de piek bereikt, de hoogte van die piek en de snelheid waarmee de productie vervolgens weer daalt. Ze bepalen gezamenlijk de vorm van de lactatiecurve. Persistente koeien hebben de productiepiek doorgaans later in de lactatie. Al deze kenmerken hebben een erfelijke component. We onderscheiden op basis van het onderzoek in de dagelijkse praktijk twee vormen van persistentie :

  1. De productie-gedreven persistentie waarbij zowel de piek als de productie na de piek zo hoog mogelijk blijven voor een maximale productie. Dat is een doelbewuste strategie om met de voeding de productie zo hoog mogelijke te krijgen.
  2. De levensduur gedreven persistentie waarbij de piekproductie wordt beperkt en tegelijkertijd de productiedaling na de piek ook wordt beperkt. Het geeft een vlakkere lactatiecurve met een doorgaans hogere productie.

Invloed van de bedrijfsomstandigheden

Met voeren kun je bijsturen binnen de biologische grenzen van de koe. Het is lastig om een niet-persistente koe altijd op het juiste niveau te voeren. De kans op tekorten in de piekperiode en op overmaat in de tweede helft van de lactatie is groot als je het niet individueel kunt sturen. Een persistente koe laat zich makkelijker voeren en behoudt beter haar conditie. De persistentie kan ook worden beïnvloed door een aantal andere bedrijfsomstandigheden. Factoren die de persistentie kunnen verlagen zijn bijvoorbeeld:

  • door harder te voeren in de opstartfase wordt de piek eerde bereikt en hoger. Hoe eerder de piek hoe lager de persistentie;
  • door eerder te insemineren (korter interval afkalven – 1e inseminatie) wordt de persistentie verlaagd omdat de productie bij dracht daalt en daardoor lager uit kan vallen;
  • door een verminderde voeropname kan de persistentie met name in de periode na de productiepiek flink verminderen, met een flink productieverlies tot gevolg. Dat kan bijvoorbeeld door een matig rantsoen, een slechte bereikbaarheid van het voer voor sommige koeien, veranderingen in de sociale rangorde binnen de veestapel (hergroepering, nieuwe koeien in het koppel) en hittestress;
  • gezondheidsproblemen. Mastitis, stofwisselings- en spijsverteringsstoornissen, waaronder pensverzuring, (subklinische) melkziekte, (subklinische) ketose en klauwproblemen verlagen de persistentie.

Als je het effect van de bedrijfsvoering wilt beoordelen kun je de persistentie per periode berekenen. In de figuur een voorbeeld waarbij elke 30 dagen een meting is gedaan. Daarbij wordt de productie in een bepaalde periode uitgedrukt in procenten van de productie in de periode daarvoor. Het percentage geeft de daling weer. Hoe gelijkmatiger de percentages hoe gelijkmatiger de afname. Hoe hoger het percentage hoe vlakker de curve, hoe lager het percentage hoe sterker de daling. In de figuur zijn de curves van een praktijkbedrijf voor twee persistentieniveaus weergegeven.

Wanneer is de persistentie goed?

In het onderzoek zijn verschillende pogingen gedaan om de persistentie te omschrijven waarbij ook de relatie met de fokwaarde voor persistentie helder werd. Maar desondanks is er geen algemeen bruikbare norm voor persistentie. Wat goed is bepaal je zelf omdat er veel factoren van invloed zijn die je al of niet zelf in de hand hebt. Maximaal inzetten op de fokkerij is goed maar absoluut niet het enige zoals we hier voor hebben aangegeven. Of het nu gaat om hoogproductieve of laagproductieve koeien. In alle gevallen zijn de jaarproducties en de levensproducties bij weinig persistentie onnodig laag. En de omstandigheden bepalen mede welk productieniveau past bij het streven naar een langere levensduur, maar persistentie is een essentiële factor. Met persistentie kun je nooit te ver gaan maar je moet er wel mee leren omgaan.

De persistentie meten

De persistentie kun je meten met twee doelen: 1) het volgen van de productie en 2) het beoordelen van de genetische aanleg. Zo kun je bijvoorbeeld het verloop na de piek tussen twee melkcontroles meten om op koppelniveau het productieverloop te volgen en eventueel in te corrigeren. Je meet dan het verschil in productie op een bepaald moment tussen de vorige en de huidige meting. Stel de productie op 120 dagen bij de vorige melkcontrole is 27 kg en op 120 dagen in de nieuwste controle 24 kg dan is de productie gedaald met (27-24)/27 = 0,11 is 11%. Je zou ook kunnen zeggen dat de persistentie (het behoud) 89% is. In de formule: de huidige productie/vorige productie x 100% ofwel 24/27*100% = 89%. In principe kun je elk tussenliggende periode daarvoor gebruiken, bijvoorbeeld die van de melkcontrole of de tankmelkgegevens. Dat kun je ook doen voor de productiegroepen volgens de MPR. Bij deze beoordeling gaat het om de invloed van de omstandigheden die je zelf (deels) in de hand hebt en om die te kunnen corrigeren.

Wil je het verloop over de gehele lactatie meten, dan kun je de persistentie beoordelen door bijvoorbeeld de productie in de periode tot 60 dagen te vergelijken met de 305-dagen productie. Uit het onderzoek komt naar voren dat dit een goede benadering is. De som: de productie van 0 tot 305 dagen delen door de productie van de eerste 60 dagen. In de onderstaande tabel is daarvan een voorbeeld gegeven. Wat is dan acceptabel? Ervan uitgaande dat de vaarzen een goede persistentie hebben, kun je het gemiddelde van de vaarzen als uitgangspunt nemen. Het gemiddelde van de oudere koeien, die een gemiddeld lagere persistentie hebben, kun je als de ondergrens nemen. Fokken op meer persistentie zal er geleidelijk toe leiden dat in alle gevallen het aandeel van de piekproductie in verhouding tot de totale productie afneemt. Dat kun je zien aan een kleinere bijdrage van de piekproductie aan de totale productie en een grotere bijdrage van de productie na de productiepiek. Hoe hoger de persistentie, hoe kleiner het aandeel van de piekperiode, hoe lager percentage en hoe een hogere persistentiefactor.

Een rekenvoorbeeld

Vaak wordt de verhouding van 0-60 dagenproductie op de 0-305 dagenproductie gebruikt om de persistentie te bepalen. Stel dat de productie in de eerste 60 dagen 1.950 kg bedraagt en de 0-305 dagen productie 8.287 kg dan is het aandeel van de piekperiode 0,24 (24%). Als de 0-60 dagenproductie bij eenzelfde 0-305 dagenproductie 2.526 kg is, dan is dat 0,3 (30%) en bij een 0-60 dagenproductie van 2.718 kg is het 0,33 (33%). Bij een persistente, vlakke curve zou het aandeel minder dan 25% moeten zijn. Het zegt niets over de absolute productie en deze berekening kan bij elk productieniveau gebruikt worden.

Een alternatieve methode is de omgekeerde berekening waarbij 0-305 dagenproductie wordt gedeeld door 0-60 dagenproductie. Dus je berekent de verhouding van de totale productie tot de piekproductie. De persistentiefactoren zijn dan respectievelijk 4,25 – 3,28 – 3,05, ofwel hoe hoger de factor hoe kleiner het aandeel van de eerste 60 dagen dus hoe hoger de persistentie. Doe wat het meest praktisch is, het gaat erom dat je er zelf makkelijk op kunt sturen.

Erfelijkheid en fokwaarden

Uit de diverse onderzoeken komen zeer verschillende erfelijkheidsgraden van de persistentie naar voren. De belangrijkste redenen zijn de invloed van omgevingsfactoren, de manier waarop persistentie wordt gedefinieerd en de onderzoeksmethode. In Nederland hanteren we een erfelijkheidsgraad van 11% -20% en dat betekent dat de verschillen die worden gemeten in de praktijk voor 11 tot 20% bepaald worden door de erfelijke aanleg. Er speelt dus nog een aantal andere factoren een rol zoals bijvoorbeeld de voeding. De fokwaarde wordt berekend op basis van de productie van vet en eiwit vanwege de sterke relatie met de energiebehoefte en de gezondheid van de koe. De spreiding in de fokwaarde is 100 + 4. Fokken op persistentie is dus wel mogelijk en ook aan te bevelen maar vraagt wel gedurende meerdere generaties consequent fokken aangezien de correlatie met levensduur zeer zwak is. Het levert in meerdere opzichten grote voordelen op maar vooral indirect.

Berekening van de persistentie bij drie koeien die verschillen in persistentie bij een vergelijkbare 305-dagen productie. Het procentuele aandeel staat voor de 0-60 dagen productie gedeeld op de productie van 0-305 dagen. Bij een betere persistentie (voorbeeld 1) is het aandeel van de 0-60 dagen productie op de totale productie kleiner dan bij een lagere persistentie (voorbeeld 3). Een alternatieve berekening is juist omgekeerd, nl. de 0-305 dagen productie delen door de 0-60 dagen productie. Het persistentiegetal is bij een zeer goede persistentie hoger dan 4 en bij een lage persistentie lager dan 3.

Resultaten van een onderzoek (Strapakova, E et al., 2016) naar de correlaties tussen de fokwaarden voor persistentie en de melkproductie, celgetal, tussenkalftijd, dagen open en levensduur. De negatieve correlatie met de melkproductie betekent dat de hoge productie vooral wordt bereikt door een zeer hoge piekproductie. Een hogere persistentie geeft een lager celgetal en een langere tkt. Dit laatste omdat koeien dan bewust later worden geïnsemineerd. De correlatie met de fokwaarde voor levensduur is zwak omdat daar ook allerlei andere factoren een rol spelen die bepalen of een koe wordt afgevoerd of aangehouden.

100-tonners en persistentie

Uit een analyse van 560 stieren kwam ook naar voren dat een toename van de fokwaarde voor persistentie niet gelijk opgaat met de levensduur van de dochters (op basis van de aanhoudingscijfers). Er is een zeer zwakke relatie tussen levensduur en persistentie en de spreiding in persistentie is erg groot. Uit een analyse van 100-tonners bleek dat er een sterke correlatie bestaat met persistentie. Anders gezegd: de kans dat een 100-tonner persistent is, is relatief groot. Maar, het aantal 100-tonners per stier is laag (<2% van de dochters). De fokwaarde voor persistentie is dus niet bruikbaar om gericht op levensduur te fokken. Wel kunnen daarmee de kans op problemen in de transitieperiode worden verminderd. En dat verlaagt het uitvalsrisico. Dus de fokwaarde heeft zeker betekenis als hij op de goede manier wordt gebruikt en de levensduur wordt door meer bepaald dan alleen de persistentie.

De ene veestapel is de andere niet

Uit onderzoek is duidelijk dat de persistentie invloed heeft op de levensduur. Uit een van de onderzoeken kwam ook naar voren dat vaarzen met een hoge piekproductie die lang aanhield, de kortste levensduur hadden. Dit sluit aan bij de bevindingen dat vroegrijpheid bij koeien met hoge producties in de eerste en tweede lactatie, negatief gecorreleerd is met de levensduur. Ander onderzoek gaf juist aan dat koeien die als vaars een relatief hoge piekproductie en een lage persistentie hadden, een langere levensduur hadden. Maar het ging hier om koeien met een relatief korte levensduur, een hoge uitval onder de vaarzen en een lage (levens)productie vergeleken met die in Nederland. Een mogelijke verklaring is dat de productiepiek bij vaarzen altijd al relatief laag is, dus een relatief hoge piekproductie gevolgd door een sterke daling spaart de vaars en biedt meer ruimte voor ontwikkeling. Omdat de hoogte van de (piek)productie vaak een belangrijke criterium is voor wel of niet aanhouden, kan het toch een reden zijn om de vaars aan te houden. Het blijkt dat de uiteenlopende omstandigheden en productieniveaus van invloed zijn op de resultaten van het onderzoek en dat die niet zomaar vertaald kunnen worden naar andere landen en omstandigheden. Zoals we al eerder aangaven kunnen die tot andere fokwaarden en correlaties leiden. Maar alles bij elkaar genomen blijkt persistentie onder de Nederlandse omstandigheden zonder meer bij te dragen aan de levensduur.

Bronnen

  • Tekerli, M. et al., 2000 Factors affecting the shape of lactation curves of Holstein Cows from the Balikesur Province of Tukey.
  • Torshizi, M.E. et al., 2018. Different aspects of lactation persistency in dairy cows.
  • Strapakova, E et al., 2016. Genetic relationship of lactation persistency with milk yield, somatic cell score, reproductive traits, ans longevity in Slovak Holstein cattle.
  • Litwinczuk, Z et al., 2016. Length of life and milkproduction efficiency in cows with varying lactation persistency.
  • Otwinowska, A. en E. Ptak, 2o15. Genetic analyses of lactation persistency in the Polish Holstein-Friesian cows.
  • Molenaar A.J. et al. (jaar onb.)  Improving lactation persistency in dairy cows.
  • Western Canadion Dairy Herd Improvement Services. 2019. Persistency of milk production.
  • CRV, 2020 Fokwaardenschatting melkproductiekenmerken met testdagmodel. Kengetallen E-7.
  • NVO-veeverbetering 2020.