Ook de omgeving bepaalt wat het resultaat is

Een regel uit de genetica: fenotype= genotype + milieu. In andere woorden: wat je ziet is het resultaat van de genetische aanleg en de invloed vanuit de omgeving. In onze benadering de L en B in de KBL-cirkel. Die milieu-invloeden kunnen een grote invloed hebben. Dat begint al bij de vorming van eicellen en spermacellen. Die invloed gaat via de genen die ervoor zorgen dat bepaald processen voor groei en ontwikkeling in gang worden gezet en worden voltooid. In principe wordt elk proces bepaald door de genen, maar als de werking van de genen wordt beïnvloed wordt ook ontwikkelingsproces beïnvloed. Zoals een biestvoorziening uiteindelijk leidt tot een betere gezondheid en een goede melkgift in de eerste maanden van het kalf een positieve invloed heeft op de groeisnelheid en de productie als vaars. Bekend is ook de invloed van de voeding van de koe op de kwaliteit van de eicellen en daarmee op de gezondheid en levensduur van de nakomelingen. Denk aan de gevolgen van een negatieve energiebalans op de ontwikkeling van het embryo en op de weerstand van de koe zelf. Ook de gevolgen van hittestress is een bekend voorbeeld. Omdat de effecten soms blijvend zijn kunnen ze worden doorgegeven aan de volgende generatie. Hittestress in de droogstand bijvoorbeeld, blijkt negatieve gevolgen te hebben voor productie en levensduur van de nakomelingen tot een paar generaties later. Zolang er sprake is van een ontwikkelingsproces kan de omgeving invloed hebben op dat proces. Als ze eenmaal de ontwikkeling mede hebben bepaald is het onomkeerbaar geworden. Sommige genen worden zodanig “omgebouwd” dat het wordt overgeërfd. Maar de effecten zijn vaak niet direct zichtbaar en meetbaar. Daarom is het belangrijk om in alle stadia te blijven zorgen voor optimale omstandigheden. Een van de redenen van de grote verschillen tussen bedrijven, zelfs als dezelfde genetica wordt gebruikt, is dat door verschillen in de omstandigheden de invloed op de ontwikkeling ook kan verschillen. Eeneiige tweelingstieren die op verschillende KI-stations worden opgefokt kunnen dus een verschillende fokwaarde voor bepaalde kenmerken krijgen omdat die verschillen bij hun dochters zichtbaar worden.

Onderstaand een overzicht van de verschillende stadia in de ontwikkeling van eicel tot koe en de mogelijke (epigenetische) invloeden. De invloeden zijn vaak onomkeerbaar en dat betekent dat ze cumuleren (stapelen). In de volwassen leeftijd zijn invloeden vaak wel omkeerbaar maar de omstandigheden waaronder de koe wordt gehouden heeft tijdens haar dracht, via de eicellen en het embryo, opnieuw invloed op de volgende generatie en neemt daarbij de invloeden tijdens haar eigen ontwikkeling mee. Al deze invloeden hebben ook invloed op de levensduur. De invloeden kunnen dus worden overgeërfd en de volgende generaties beïnvloeden. Reden genoeg voor een optimale bedrijfsvoering waaronder het voorkomen van hittestress.