Inkruisen met een ander ras

Met inkruisen (crossbreeding) wordt bedoeld het paren van stieren met koeien uit verschillende foklijnen, rassen of populaties met als doel:

  1. Het inbouwen van genen van andere lijnen, rassen of populaties die een positieve invloed hebben op bepaalde kenmerken. Het verhoogt de genetische diversiteit en daarmee de aanleg voor gezondheid, vruchtbaarheid en levensduur.
  2. Het verminderen van de inteeltdepressie als gevolg van de verminderde genetische diversiteit en toegenomen inteelt. Daarover bestaat wereldwijd brede overeenstemming.
  3. Benutting van de heterosiseffecten als gevolg van de samenvoeging van verschillende genetische lijnen die een verbeterde prestatie bij de koeien laten zien. Er bestaan grote verschillen in heterosiseffecten bij de verschillende kenmerken. Het kan variëren van 0 tot 10% voor productie tot 25% voor vruchtbaarheid.

Door het langdurig en eenzijdig fokken op productieverhoging en als gevolg daarvan de vermindering van de genetische diversiteit, zijn de gezondheid, de vruchtbaarheid en de overlevingskansen van koeien drastisch minder geworden. Zowel bij extensieve weidebedrijven als bij bedrijven met hoge producties op basis van veel krachtvoer in het rantsoen. In de VS is daardoor de productieve levensduur tussen 1980 en 1994 met 4,6 maanden gedaald.

De belangstelling voor inkruisen is in Nederland, na een lichte aarzeling, de laatste jaren flink toegenomen. Aanvankelijk werd het vaak gedaan om bepaalde aanpassingen in de stal en de bedrijfsvoering niet te hoeven doorvoeren. De ‘sobere’ koeien zouden wel met minder toe kunnen. Geleidelijk aan zien we steeds meer dat wordt gekruist vanwege gezondheid, vruchtbaarheid en levensduur. Zelfs in moderne stallen. Ook kruislingen verdienen een goede leefomgeving.

Heterosis

Vaak wordt het heterosiseffect (meerwaarde van de genetische diversiteit) als belangrijkste argument genoemd bij inkruisen. Heterosis treedt op als twee verschillende bloedlijnen, rassen of populaties gekruist worden. Het genenpatroon van de nakomelingen is het midden tussen beide ouders, van iedere ouder komt immers de helft van de genen. Anders gezegd zal het heterosiseffect bij kruisen groter zijn naarmate de verwantschapsgraad en de inteeltgraad binnen de afzonderlijke (sub)populaties of rassen hoger zijn. Bij een willekeurige kruising is het heterosiseffect van korte duur hoewel het nooit helemaal verdwijnt. Met een planmatige kruising kan het heterosiseffect gedurende meerdere generaties op een hoger niveau blijven.

De belangrijkste redenen om in te kruisen zijn de betere gezondheid, vruchtbaarheid een levensduur, wat meer werkplezier oplevert terwijl de economische resultaten, zeker bij de langere levensduur, niet onder hoeven doen voor de Holsteins met de kortere levensduur.

Hoe kun je inkruisen?

Er zijn drie strategieën mogelijk:

  1. Tweeweg kruising. Eenmalige inzet van een ander ras zonder verdere strategie voor de volgende generatie dochters. Het heterosiseffect valt snel terug tot ruim 60% waarna het nog een tijd stand houdt maar geleidelijk aan verdwijnt (het ‘verdunt’).
  2. Drieweg kruising. Het gebruik van drie rassen dat zich steeds herhaalt. In eerste aanleg is het heterosiseffect 100% maar door het voortdurend gebruik van dezelfde rassen stabiliseert het uiteindelijk op ca. 85%, toch nog behoorlijk hoog.
  3. Dubbele inkruising (Synthetic crossing). Het gebruik van hoogwaardige kruislingstieren, bij de eerste keer enigszins vergelijkbaar met een driewegkruising. Op den duur ontstaat door deze synthese een nieuw ras. Van het heterosiseffect blijft uiteindelijk ca. 50% over.

Wat kan inkruisen opleveren?

Inkruisen is dus bedoeld om de genetische diversiteit te vergroten, de kans op inteelt te verkleinen en daardoor een gezondere en vruchtbaarder veestapel met een langere levensduur te fokken. Om het onderzoek naar de voordelen goed te kunnen beoordelen is het belangrijk om na te gaan of ze zijn uitgevoerd binnen een ras, tussen rassen, wat er is gemeten en welke economische uitgangspunten worden gehanteerd. Of wordt uitbetaald op melkvolume, op gehaltes of specifieke markten, dat kan veel uitmaken voor het uiteindelijke resultaat. In veel onderzoeken worden alleen verschillen in levensduur als “bijvangst” meegenomen, maar wordt levensduur niet als doel meegenomen. De lagere opfokkosten per kg melk bij een langere levensduur worden wel genoemd, maar van een integrale doorrekening van alle levensduureffecten is doorgaans geen sprake.

Enkele resultaten uit een kruislingproef met Holstein (HF), Ayrshire (A) en Jersey (J) in Nieuw Zeeland. Resultaten kunnen per land en per bedrijfssysteem verschillen.

Als een hoogproductieve Holstein wordt gekruist met een Montbéliarde zal de productie per jaar mogelijk minder worden maar de levensduur langer. Bij kruislingen is de overlevingskans gemiddeld hoger. Kruisen van een Holstein met een Jersey zal meer kg vet opleveren maar niet altijd meer eiwit. Doorgaans worden kruislingen beoordeeld als sterkere koeien. De klauwgezondheid is bij kruislingen per definitie altijd beter. Kortom, het hangt af van welke rassen je inkruist, op welke kenmerken je verbetering wilt zien en hoe je het doet of het een succes wordt. Vaak wordt het heterosiseffect als belangrijk argument gebruikt, maar dat is beperkt en niet in alle gevallen hetzelfde. Aangezien er in Nederland binnen het Holsteinras veestapels zijn met een ver bovengemiddelde levensduur, is kruisen met een ander ras voor een langere levensduur niet persé nodig. Uit onderzoek blijkt wel dat andere rassen door de verhoogde genetische diversiteit kunnen bijdragen aan de gezondheid, de vruchtbaarheid en de levensduur. Zowel op intensieve bedrijven als op weidebedrijven met een seizoenskalvende veestapel. Maar dat wil niet zeggen dat het in de praktijk ook gebeurt. Uit onderzoek is nog niet duidelijk geworden wat qua levensduur maximaal mogelijk is binnen het KBL-principe en in hoeverre inkruisen daaraan bijdraagt. Maar als je bewust inkruist om de levensduur te verlengen en het selectiebeleid daarop aangepast, dan kan het zeker meerwaarde geven als je het aanhoud- en afvoerbeleid daar ook op aanpast. Maar het onderzoek is niet eenduidig over de levensduur want die wordt door veel meer bepaald dan door het ras. Uit een groot Pools onderzoek bleek juist dat de levensduur na inkruisen juist korter was. Maar dat kan volgens de onderzoekers te maken hebben met de dubbeldoel-kwaliteiten van sommige rassen en dat koeien eerder verkocht werden en ze een lagere productie hebben.

Resultaten van drie onderzoeken: Holstein (H) gekruist met Noors Roodbont (NO), Montbéliarde, Scandinavisch Roodbont (SR), Jersey (J) en Brown Swiss (BS). Door de ver doorgevoerde productieverhoging is het Holstein ras in het voordeel binnen de beperkte periode van de proef. De resultaten inclusief de levensduureffecten en vruchtbaarheid zullen daar meer of minder van afwijken. Afhankelijk van de uiteindelijke levensduur kan het levenssaldo hoger uitvallen bij de kruislingcombinaties.

Gevolgen voor het levenssaldo

Als een hoogproductieve Holstein wordt gekruist met een Montbéliarde zal de productie per jaar mogelijk minder worden maar de levensduur langer. Bij kruislingen is de overlevingskans gemiddeld hoger. Het levenssaldo van de kruislingen zal daardoor uiteindelijk hoger zijn. Als je naar de productie van vet en eiwit kijkt dan kan het weer anders zijn. Kruisen van een Holstein met een Jersey zal meer kg vet opleveren maar niet altijd meer eiwit. Doorgaans worden kruislingen beoordeeld als sterkere koeien maar in bepaalde gevallen laten kenmerken op den duur te wensen over, zoals bijvoorbeeld de uierkwaliteit en het celgetal. De klauwgezondheid bij kruislingen is per definitie altijd beter. Kortom, het hangt af van welke rassen je inkruist, op welke kenmerken je verbetering wilt zien en hoe je het doet of het een succes wordt. In Ierland wordt het economisch voordeel van de heterosis op 100 euro per koe per jaar geschat maar de verschillen in levenssaldo zijn veel hoger. Als je bewust inkruist om de levensduur te verlengen en het selectiebeleid wordt daarop aangepast, dan geeft het een absolute meerwaarde.

Bij ouder koeien is de vruchtbaarheid steeds vaker de reden voor afvoer. Inkruisen kan dat verbeteren. Verschil in kleur in een rij betekent een significant verschil. 

Naar andere fokkerijdoelen

De sterke focus op de productieprestaties van de koe is de belangrijkste reden voor de stagnerende levensduur. Er wordt vooral gefocust op de jaarlijkse melkproductie, terwijl de levensduurprestatie (levenssaldo zie hoofdstuk2) een veel belangrijkere economische indicator is. In Noorwegen kent men al vele decennia de Totaal-opbrengst Index (Total Merit Index) met meer aandacht voor factoren als vruchtbaarheid, gezondheid en levensduur. Het Noors Roodbont ras is daardoor breed inzetbaar. Als we, net als in Nederland, steeds maar weer nieuwe fokwaarden ontwikkelen die afleiden van waar het echt om gaat en die bovendien zwak of nauwelijks gecorreleerd zijn met levensduur, gezondheid of vruchtbaarheid, komen we niet verder.

Het duurt vele generaties om op basis van de fokwaarden voldoende verbetering in de veestapel te fokken en het lukt al helemaal niet zolang de focus op een hogere productie blijft bestaan. De focus in de fokkerij moet verlegd worden van alleen melkproductie naar levensduurprestaties. En dat ook op het individuele bedrijf met een eigen aanpak waarbij het inkruisen een van de mogelijkheden is, maar zeker niet de enige.

Verleg je eigen focus

Er is nog steeds veel weerstand tegen inkruisen vanuit de fokkerijwereld. Deels uit commercieel eigenbelang en deels uit gebrek aan ervaring. Natuurlijk zijn er zeer goede Holstein veestapels maar de sluimerende problemen en de daarbij behorende ongemakken en te korte levensduur zijn onmiskenbaar en daar kan inkruisen bijdragen aan verbetering, mits het op de goede manier gebeurt. Om de voordelen van inkruisen in te zien moet je niet bang zijn voor de verandering, je focus verleggen van jaarproductie naar het economisch levensduurresultaat (levenssaldo zie hoofdstuk 2), en (voor)oordelen over hoe een goede koe eruit ziet aan de kant zetten. Inderdaad, ze zien er anders uit. Nou en?

Bronnen

  • Hazel, A., H. Heins en L. Anderson, 2019. 10-jaars vergelijkingsproef tussen Procross-en Holstein koeien op topbedrijven in Minnesota, VS. Procross symposium.
  • Evans, R.D. et al. 2006. Trends in milk production, calving rate and survival of cows in 14 Irish dairy herds as a result of the introgression of Holstein-Friesian genes.
  • Buckley, F. et al., 2014. Crossbreeding: implications for dairy cow fertility and survival.
  • Hansen, L., 2010.  Consequences of selection for milk yield from a geneticist’s point of view
  • Boelema, R., 2007 Planmatig Kruisen met Melkvee; De mogelijkheden van kostenreductie door het gebruik van niet Holstein melkrasstieren in de Nederlandse melkveehouderij
  • Raden, P. en A. Sanders, 2003. Economic merit of cross bred of purebred US dairy cattle.