Om die methode voldoende betrouwbaar te maken zou je bij veel dieren moeten testen of de aanwezigheid van een specifieke merker (een zogenaamde SNP) ook inderdaad samengaat met een specifiek kenmerk. Dit is de zogenaamde referentiepopulatie. Door heel veel, tot wel 800.00 stuks, SNP’s verdeeld over de chromosomen te identificeren, en die te toetsen aan de kenmerken van heel veel dieren in de referentiepopulatie, kan vrij nauwkeurig worden bepaald welke merkers bij welke kenmerken horen. En dus ook welke genen die daarvoor verantwoordelijk zijn, in de buurt van welke specifieke merkers liggen. Want de kans is immers groot dat de genen die bij een specifieke merker liggen samen worden doorgegeven aan de nakomelingen. Daarmee kun je op basis van de aanwezige merkers, de genoomanalyse, de kans berekenen dat bepaalde kenmerken in een stier aanwezig zijn en kan de genoomfokwaarde worden berekend.
Door in de nakomelingen van een stier op zoek te gaan naar specifieke merkers kun je nagaan of hij die specifieke kenmerken waarschijnlijk ook heeft doorgegeven. Met name voor kenmerken met een lage erfelijkheidsgraad, waarop de omgeving veel invloed heeft en die lastig zijn te herleiden tot de genetische aanleg, kan de het gebruik van merkers helpen de fokwaarde schatting te verbeteren.
Omdat in het leven van de dieren voortdurend genetische veranderingen optreden is het belangrijk om de referentiepopulatie goed te blijven registeren zodat veranderingen ook zichtbaar worden. Door die veranderingen en het feit dat ‘het in de buurt liggen van een gen’ bij een merker niet voor honderd procent zeker is, wordt het nooit helemaal zeker. Er is immers altijd sprake van toeval, en al helemaal als een kenmerk door een groot aantal genen wordt bepaald. De nauwkeurigheid blijft beperkt tot naar schatting 70%. Een bewezen proefstier komt op 99%.
Met genomics is het niet alleen mogelijk om na te gaan welke genen van de stier en de koe zijn doorgegeven aan de dochter, maar ook om te controleren of de stier inderdaad de vader is; de zogenaamde ouderschapscontrole. Ook kunnen van erfelijke gebreken de specifieke genen worden opgespoord zodat op voorhand duidelijk is wat de risico’s van het gebruik van een dier zijn.