De transitie, een uitdaging voor koe en boer.

Dit hoofdstuk gaat over het optimaliseren van de bedrijfsvoering gericht op de gezondheid en de levensduur van het melkvee. We bespreken de gehele cyclus van droogzetten en droogstand als voorbereiding op de productieve periode tot het afronden van die periode en het opnieuw droogzetten. De transitieperiode is daarvan de belangrijkste en ook de zwaarste periode in de cyclus van de koe en voor de melkveehouder de moeilijkste om goed te managen. Er bestaat een sterke samenhang tussen droogzetten, droogstand, afkalven, start van de lactatie en het verdere verloop van de lactatie. Doorgaans wordt de periode van enkele weken voor kalven tot ongeveer 100 dagen na kalven wel de transitieperiode genoemd.  Op dit platform hanteren we de periode vanaf droogzetten tot 100 dagen in lactatie omdat de manier van droogzetten al gevolgen kan hebben later in de transitieperiode. Op elk van de deelperioden in de transitie: droogzetten, droogstand, afkalven, start lactatie tot de 100 dagen in lactatie, met hun specifieke problemen, wordt ingegaan. Het overgrote deel van de gedwongen afvoer is gerelateerd aan deze perioden. In § 5.5 worden de belangrijke transitiegerelateerde (stofwisselings-)problemen besproken, die vaak de aanleiding zijn voor gedwongen afvoer. Problemen als melkziekte, slepende melkziekte en pensverzuring die te maken hebben met de voeding. Problemen als uiergezondheid, klauwgezondheid, infectieziekten en reproductie, die van veel meer factoren afhankelijk zijn.

In de productiecyclus is het droogzetten het begin van een vaak lastige transitieperiode waarin zich allerlei problemen kunnen voordoen, met name rond en na afkalven. Voor de melkveehouder een periode met de nodige uitdagingen. Zo’n 50% tot 70% van de problemen die leiden tot gedwongen afvoer doen zich namelijk voor in de transitieperiode en zo’n 50% daarvan is op zijn beurt weer gerelateerd aan de droogstand. Een koe die deze periode goed door komt staat garant voor een gezonde productie, een goede vruchtbaarheid en meer werkgemak. Omdat de levensduur sterk gerelateerd aan deze periode is een optimale transitieperiode dus het uitgangspunt voor een langere levensduur. Maar dat neemt niet weg dat aandacht buiten de transitie ook flink kan bijdragen aan de gezondheid en levensduur.