Het levenssaldo als integraal totaalresultaat

Hoe kun je nu vooraf inschatten wat levensduurverlenging uiteindelijk economische oplevert. En tot hoever je kunt gaan wil het nog economisch verantwoord zijn? Daarvoor berekenen we het zogenaamde levenssaldo, het verschil tussen de totale directe kosten en baten gedurende het productieve leven van een koe of een veestapel. We kijken als het ware vooruit op basis van bepaalde doelen en bedrijfsgegevens en bepaalde aannames. Door het levenssaldo in de huidige situatie te vergelijken met het levenssaldo bij een langere levensduur, wordt zichtbaar wat dat per saldo oplevert. Per fase kun je dan nagaan of het meer of minder op zal gaan leveren.
Omdat de prijzen sterk kunnen fluctueren, nemen we voor de voer- en melkprijzen de rollend jaargemiddelde prijzen van de voorgaande drie jaren (publicatie voederwaardeprijzen WUR en publicatie prijzen vet en eiwit Friesland Campina). Grote prijsschommelingen voor vee en vlees die vaak op kortere termijn te zien zijn, kunnen moeilijk worden ingeschat, maar hebben vaak wel invloed op de afvoerbeslissingen. Daarom worden daarvoor de prijzen van een recente periode (2025) genomen.
In § 3.3 hebben we laten zien dat levensduurmaatregelen niet alleen de levensduur maar ook de melkproductie en de opbrengsten uit de verkoop van vee (zie § 3.6) sterk kunnen beïnvloeden. Op basis van wetenschappelijk onderzoek kan worden ingeschat wat de kosten kunnen zijn van de verschillende gezondheidsproblemen (verborgen kosten zie § 3.5). En wat het oplevert als ze worden verholpen (verborgen rendement). Aan de hand van een voorbeeldberekening van het levenssaldo laten we zien wat je daar uit kunt afleiden.

Een voorbeeld

Ter illustratie berekenen we het levenssaldo van een bedrijf met 100 stuks melkvee. We bespreken de belangrijkste posten. Het is een willekeurig voorbeeld en de resultaten kunnen per  situatie verschillen. Maar de strekking blijft algemeen geldig. Het bedrijf wil de gemiddelde leeftijd met 11 maanden verhogen en de afvoerleeftijd neemt dan met gemiddeld 18 maanden toe. Op basis van praktijkervaringen wordt ervan uitgegaan dat voor de nieuwe stabiele situatie 7 tot 10 jaar nodig is. In die periode worden diverse maatregelen genomen om de gezondheid en het welzijn te verbeteren. Ook het afvoerbeleid wordt aangepast (de Gouden Regel zie § 2.3) en er wordt niet meer jongvee aangehouden dan noodzakelijk is (Jongveeopfok-quotum zie § 4.1) . (zie voor de aanpak ook § 3.10) In de tabel rechts zijn de levensduurkengetallen voor de verschillende fasen weergegeven.

De ontwikkeling van de productie

In de tabel rechts is aangegeven hoe de productie zich met de jaren ontwikkelt. De uiteindelijke productie is hoger dan wat als doel werd gesteld. De bijdrage door de toegenomen levensduur is relatief beperkt en de grootste bijdrage komt door de betere gezondheid en het toegenomen welzijn. We noemen dat de voor de levensduur gecorrigeerde productie. Uiteindelijk neemt de productie per koe met ruim 1.400 kg toe waarvan maar een klein deel door de levensduur. Het overgrote deel is het gevolg van een betere gezondheid en een beter welzijn. Het maakt daarbij ook uit of een koe vroeg- of laatrijp is.

Laatrijp of vroegrijp

In de tabel hiervoor is ook aangegeven wat het fokken op laatrijpheid voor het effect heeft. In dit geval is het negatief. Laatrijpheid is weliswaar sterk positief gecorreleerd aan de levensduur, maar je verliest melk in de eerste lactaties. Dat kun je alleen terugwinnen als de levensduur lang genoeg is. Maar dan nog is het aan te raden de productie op een voldoende hoog niveau te houden. De beste voorbeelden zijn de 100-tonners die vanaf het begin een relatief hoge lactatiewaarde hebben en bovendien laatrijp zijn. Het gaat er met name om de productie van de vaarzen voldoende laag te houden om ze de kans te geven zich voldoende te ontwikkelen. Daarna mogen ze snel doorgroeien en halen ze dat ruimschoots in. Om het uiteindelijke doel te kunnen bereiken is het vaak niet nodig extra op melkproductie te fokken omdat de genetische aanleg al voldoende hoog is. Wat het meest optimale productieniveau is hangt natuurlijk sterk samen met de bedrijfsopzet.

De hoeveelheid jongvee

In de tabel rechts is een inschatting gegeven van de opfokkosten en ook het netto resultaat als je alle verkochte kalveren meerekent, zowel fokkalveren als vleeskalveren. De opbrengst is afhankelijk van de gekozen strategie: hoeveel worden er aangehouden en hoe vaak wordt gesekst sperma gebruikt en worden vleesstieren ingezet. Voor een economisch optimale aanpak, maar ook met het oog op mest, mineralen, methaan en CO2, is het raadzaam de juiste strategie te volgen voor wat betreft de hoeveelheid aan te houden jongvee. Het is dus niet alleen een forse kostenpost en bovendien vraagt het flink wat arbeid (zie § 3.8). In de praktijk wordt wel het opfokquotum gehanteerd. In hoofdstuk 4 komen we daarop terug.

De (verborgen) gezondheidskosten

Niet alleen de opfokkosten worden vaak onderschat maar ook de kosten die gepaard gaan aan gezondheidsproblemen en gebrek aan welzijn en comfort. Zoals we hiervoor al aangeven is een (fors) lagere melkproductie een van de belangrijkste verborgen kostenposten (zie ook § 3.3). Er komt geen rekening van maar de melkopbrengsten kunnen flink lager zijn. In de tabel hiernaast is aangegeven wat de kosten zijn voor het voorbeeldbedrijf. Ze zijn inclusief de kosten van de lagere melkproductie. De kosten van de behandelingen zelf kan variëren van 4% tot 30% van de totale kosten. De (verborgen) kosten van de melkderving kunnen dus (veel) hoger zijn. Wanneer 15% van de koeien last heeft van pensverzuring met een derving van gemiddeld 5% van de productie is dat op een koppel koeien van 100 stuks zo’n 6.700 kg melk. Klauwproblemen hebben vaak in nog grotere negatieve invloed op de productie en worden daarom vaak gezien als een nog grotere economische schadepost. Het uiteindelijk resultaat is sterk afhankelijk van de situatie op het bedrijf, de maatregelen en de prijsverhoudingen. Maar gezondheidsproblemen blijven belangrijke kostenposten. Dat kan nooit worden teruggebracht tot € 0 op de manier waarop koeien worden gehouden.

Het uiteindelijke resultaat

Het uiteindelijke totaalresultaat vatten we samen in het levenssaldo. Dat is dus altijd gemeten over de totale productieve levensduur. In de tabel rechts is daarvan een voorbeeld gegeven. Bij een levensduurverlenging van 18 maanden is door alle maatregelen, de betere gezondheid, het toegenomen welzijn, de verminderde melkderving het levenssaldo meer dan verdubbeld. De extra levensduurbijdrage (bijdrage per maand extra levensduur) zal geleidelijk aan afnemen en dan is het moment om afvoer te overwegen. Zie ook § 2.3.

Verschillen tussen bedrijven

Tussen bedrijven bestaan niet alleen grote verschillen in levenssaldo als gevolg van verschillen in de levensduur, maar ook vanwege verschillen in de bedrijfsopzet. Extensieve bedrijven hebben andere voerkosten dan intensieve bedrijven. Weidebedrijven doen het weer anders dan bedrijven in andere regio’s. Het krachtvoerverbruik en de krachtvoerprijzen kunnen verschillen, de melkproductie en de melkopbrengst, de opbrengsten uit veeverkopen en ook de opfokkosten. Bedrijven onderling vergelijken kan door die verschillen erg lastig zijn. Het levenssaldo geeft indicatie van de economische perspectieven van levensduurverlenging.
Het levenssaldo is ook niet één-op-één te vergelijken met de bedrijfsboekhouding omdat de kostenopbouw anders is. In de bedrijfsboekhouding zie je het resultaat van een jaar waarbij sommige kostenposten anders zijn opgebouwd. Bij het levenssaldo zie je het resultaat van een aantal jaren melkvee houden waarbij de ontwikkeling is meegenomen in de berekening. Het levenssaldo is ook niet bedoeld om met er boekhoudkundige conclusies uit te trekken.

Aandachtspunten en tips

  • Het levenssaldo is niet bedoeld om exacte boekhoudkundige berekeningen te maken, maar om een indruk te krijgen van het effect van de levensduur op de kosten en baten;
  • Probeer zo goed mogelijk de kosten per bedrijfsonderdeel uit te splitsen zoals de kosten voor het jongvee, om meer inzicht te krijgen;
  • Voor de eigen berekeningen kunnen de voer- en melkprijzen van het bedrijf zelf worden gebruikt. Ver vooruitkijken om de ontwikkeling in de prijzen in te schatten heeft weinig zin en is voor een redelijke indruk ook niet echt nodig;
  • Neem voor een eigen berekening de belangrijkste kosten en baten mee en gebruik eventueel normatieve bedragen zoals een vast bedrag voor de opfokkosten. Kleine posten hebben weinig invloed en zijn vaak lastig precies te berekenen.
  • Met de invoering van de fosfaatregelgeving worden de kosten en baten vaak uitgedrukt per kg fosfaatrecht. Fosfaat is de beperkende factor. Maar vanuit het perspectief van levensduurverlenging is de levensduur de beperkende factor. Het levenssaldo per levensjaar zegt dan meer dan het saldo per kg fosfaat.
  • In deze bijlage staan enkele uitgangspunten die je zou kunnen hanteren.