Hoewel in wetenschap en praktijk vaak is aangetoond dat een langere levensduur economische voordelen heeft, bestaat er nog vaak verwarring over. Waar komt dat vandaan?
Gaat het om de koe of om het bedrijf?
We kunnen onderscheid maken in de economie op koeniveau en op bedrijfsniveau. Op het niveau van de koe is het voordeel makkelijk inzichtelijk te maken. De opfokkosten zijn lager, de gemiddelde productie is hoger en de efficiëntie is hoger. Op bedrijfsniveau kan het anders liggen omdat allerlei bedrijfsfactoren invloed kunnen hebben op de levensduur en op de prijsverhoudingen. Zoals de hoogte van de productie de levensduur beïnvloedt, de intensiteit invloed heeft op de voerkosten, extensieve bedrijven vaak wat meer jongvee aanhouden, de managementstijl/bedrijfsstijl het aanhoudbeleid bepaalt en zo zijn er meer factoren. Met andere woorden, de economische gevolgen van de langere levensduur kunnen uit beeld raken door de andere economische, bedrijfstechnische of persoonlijke factoren. Filter je deze effecten er niet uit dan is de uitkomst vaak dat levensduur weinig of niets oplevert. Feitelijk moet je de levensduur steeds vanuit het perspectief van het bedrijf benaderen: wat zijn de mogelijkheden voor het individuele bedrijf.
Mis je genetische vooruitgang?
Ja, maar erg is dat? Gemiddeld is er door de jaren heen sprake van genetische vooruitgang. Dat gaat nooit met grote met grote sprongen omdat de erfelijkheidsgraad vaak laag is. Maar met consequent fokken kom je vooruit. Bij de melkproductie gaat het sneller vanwege de hoge erfelijkheidsgraad. Over de jaren heen met gemiddeld een kleine 100 kg melk per jaar. En over dit laatste gaat het dan vaak. Er is vaker wetenschappelijk onderzoek naar gedaan en de conclusie was telkens dat het loont om koeien tot de 8e lactatie aan te houden. Tenminste als de gezondheid en vruchtbaarheid dat toelaten. Dat komt omdat de melkproductie dan in verhouding hoog is en de opfokkosten per kg melk laag. De zogenaamde dekkingsbijdrage van de koe is dan gemiddeld het hoogst. En dat is zelfs het geval bij een jaarlijkse genetische verbetering tot 125 kg melk per jaar.
Het kan ook op een andere manier benaderd worden. De productie van een volwassen koe ligt 17% tot 25% hoger dan de vaarzenproductie. Stel dat een vaars 8500 kg produceert dan zal ze als volwassen koe 9.945 tot 10.625 kg produceren. Het verschil bedraagt dan 1.445 tot 2.125 kg in het eerste jaar en dat neemt geleidelijk aan af. Het totale productieverlies is gelijk aan (veel) meer dan 5 jaar genetische verbetering.
Doet de slachtprijs ertoe?
Een hoge slachtwaarde wordt vaak als argument gebruikt om een koe af te voeren. Vaak omdat er een vaars beschikbaar is. De verwachtingen bij de vaars zijn dan hoger dan die bijna een oudere koe. Om dezelfde redenen als hiervoor levert dat, los van de andere nadelen van een te vroege afvoer, een productienadeel op dat veel hoger kan zijn dan de slachtprijs. Praat je over levensduur, dan is het verstandig om naar het perspectief in de loop van het productieve leven te kijken. Levensduurverlenging is een strategie over meerdere jaren.
