1. Wat zegt de leeftijdsopbouw van de veestapel?

De leeftijdsopbouw van de veestapel laat zien hoe het koppel qua leeftijdsgroepen is opgebouwd en in welke lactatie de meeste koeien worden afgevoerd. We noemen het ook wel het Duurzaamheidsprofiel. In theorie neemt de kans op afvoer toe met het ouder worden, maar in de praktijk kan dat heel anders uitpakken. Door periodiek de opbouw in beeld te brengen kun je zien wat er in het koppel gebeurt: waar vallen koeien uit? Wat is het effect van maatregelen? Inzicht is belangrijk om gericht levensduurmaatregelen te kunnen nemen. Dat maakt het managen van de veestapel niet alleen anders maar ook gemakkelijker. En dat is het doel: door meer inzicht in de leeftijdsopbouw de levensduurverlenging makkelijker maken.

In de praktijk blijken blijkt het voor de meeste melkveehouders een eye-opener te zijn. Je kunt van je eigen veestapel de opbouw in beeld brengen door de aantallen in een tabel of grafiek te zetten. Dat kan heel eenvoudig door het dieroverzicht uit de MPR of de lijst bij het jaaroverzicht te selecteren op lactatienummer en de koeien per nummer te tellen en in een grafiekje te zetten. Het kan al met pen en papier en als je het periodiek wilt doen, gebruik dan een Excel bestand.

Zoals een melkveehouder eens opmerkte: “Niet het ouder worden van mijn koeien zorgt voor meer problemen maar het zijn de omstandigheden op mijn bedrijf die er voor zorgen dat de oudere koeien problemen krijgen” Daarmee was duidelijk waar hij zich op zou moeten richten.

2. De theorie en de praktijk

Omdat wetenschappers vaak grotere populaties onderzoeken om betrouwbare correlaties te kunnen vinden, raken de verschillen tussen de individuele bedrijven buiten beeld. Zo laten de lijnen in onderstaande figuur links, die zijn gebaseerd op een grote populatie, een vloeiend verloop van de leeftijdsopbouw zien. Maar in de figuur rechts, van een praktijkvoorbeeld, ziet dat er heel anders uit. Dat komt omdat de uitval zelden alleen door de ouderdom wordt bepaald, maar vooral door allerlei problemen en door de vrijwillige afvoer van koeien in de verschillende lactaties. Het is dus ook bedrijfsspecifiek. Al die verschillen vallen weg als “alles op een hoop wordt gegooid”
In theorie is het een geleidelijk verloop waarbij opvalt dat de uitval bij 35% vervanging in de eerste 5 lactaties hoog is. Hoe lager het uitvalspercentage hoe vlakker de lijn. Maar op praktijkniveau worden de effecten van maatregelen direct zichtbaar en die kunnen per koe en per lactatie erg verschillen. De uitval per lactatienummer fluctueert dus behoorlijk. Deels is dat ook het gevolg van verschillen in de tussenkalftijd van de koeien. De uitval in de eerste 5 lactaties bij een lager uitvalspercentage is meestal veel minders dan volgens het populatiemodel.

Figuren hierboven. Voor de leesbaarheid is de leeftijdsopbouw in lijnen weergegeven, maar eigenlijk behoren dat kolommen te zijn. In de figuur links de theoretische leeftijdsopbouw van een grote populatie bij een hoog en een laag vervangingspercentage. In de figuur rechts de veestapel van een praktijkbedrijf die door bedrijfsspecifieke omstandigheden sterk afwijkt van het theoretisch gemiddelde van een grote populatie.

3. Een voorbeeld uit de pilot Geef-ze-de-vijf

Hieronder geven ter illustratie een mooi voorbeeld van het verschil in het profiel van de leeftijdsopbouw uit de pilot Geef-ze-de-vijf met in totaal ruim 3.300 koeien op 30 individuele bedrijven voor 2019 en 2022. Voor de hele groep (links) is het verloop heel geleidelijk waarbij duidelijk is dat het aantal jonge koeien in 2022 ten opzichte van 2019 is afgenomen en het aantal oudere koeien is toegenomen. Voor het individuele bedrijf (rechts) is het verloop alles behalve geleidelijk maar wel met hetzelfde resultaat: minder jonge koeien en meer oudere koeien, maar het verschil in het aantal koeien in de derde en vierde lactatie is veel groter. De verschillen zijn terug te voeren op de verschillen in maatregelen tussen de bedrijven die in de grote groep wegvallen in het gemiddelde. De toename in het aantal oudere koeien kan een soort “stuwmeer” vormen. Omdat het risico op uitval met de leeftijd toeneemt, en uiteindelijk zeer groot wordt, bestaat de kans dat er in korte tijd veel oude koeien afgevoerd moeten worden en dat brengt allerlei uitdagingen met zich mee zoals de jongveeplanning.

Een van de deelnemers van de pilot Geef-ze-de-vijf had de uitval zo sterk weten te beperken dat zijn veestapel flink ouder was geworden. Het risico bestond dat in korte tijd veel oude koeien zouden moeten worden afgevoerd. Om de opbouw van de veestapel gelijkmatiger te maken voerde hij toch een aantal oudere koeien af die het nog prima deden.

“Ik beperkt liever het risico en de problemen met de aanwas van jongvee dan dat ik een jaar eerder mijn doelen bereik. Vroeg of laat loop ik er anders toch weer tegenaan”

4. Het afvoerpatroon verandert

Levensduurmaatregelen beïnvloeden de kans op afvoer in de verschillende lactaties waardoor het afvoerpatroon verandert. Als het koppel even groot blijft wordt het aandeel jongere koeien kleiner en het aandeel oudere koeien groter. Tegelijkertijd zal daardoor de afvoer onder de oudere koeien toenemen. Zowel de gemiddelde leeftijd als de afvoerleeftijd nemen toe. In de figuur hiernaast is de afvoer weergegeven door de kolommen onder de x-as. De blauwe voor 2019 en de rode voor 2022 waarbij te zien is dat de afvoer verschuift naar de latere lactaties. De uitval in de eerste lactaties zijn lager dan die in het eerder genoemde populatiemodel. In de praktijk wordt juiste de uitval onder de jonge koeien vaak minder en verschuift de meeste uitval geleidelijk naar de 5e en latere lactaties. Dat komt omdat de theorie va de verhoogde kans op afvoer niet opgaat voor bedrijven die gerichte maatregelen nemen. Levensduurmanagement betekent de bedrijfsvoering aanpassen aan de bedrijfsspecifieke omstandigheden en problemen en daar is geen model voor. Het enige wat nodig is, is inzicht in je eigen veestapel en een aangepast management. De leeftijdsopbouw is daar een goed hulpmiddel voor.

Figuur rechts. De leeftijdsopbouw en het afvoerpatroon van de totale veestapel van de pilot geef-ze-de-vijf (ruim 3.300 koeien).

5. Het effect van bedrijfsspecifieke maatregelen

Een belangrijk gegeven is dat niet alles even voorspelbaar is en dat op bedrijfsniveau de opbouw van de veestapel niet gelijkmatig verandert met de levensduur. Niet elke koe reageert hetzelfde op de maatregelen. Sommigen hebben geen goede aanleg, anderen hebben een achterstand vanuit de opfok, of het karakter past niet of de productie valt erg tegen. Er is altijd wel een reden waarom koeien niet de kans krijgen om ouder te worden, maar met de jaren kan dat wel beter worden. Want, als je een consequente aanpak volgt op alle onderdelen, krijg je een uniforme veestapel onder uniforme omstandigheden en wordt de voorspelbaarheid groter. Er blijven altijd onzekerheden een rol spelen, met name vanuit de fokkerij, aangezien dat de minst constante factor is die je zelf niet altijd in de hand hebt. In hoofdstuk 5 komen we daar uitvoerig op terug.
Probeer daarom een eigen aanpak te ontwikkelen die bij de aard van je bedrijf en de mogelijkheden op je bedrijf past. En natuurlijk bij jezelf als manager van de veestapel. Dat betekent dat de gevolgen voor de leeftijdsopbouw een eigen, bedrijfsspecifieke ontwikkeling doormaakt. Dat laten we zien aan de hand van drie praktijkvoorbeelden waarvan de leeftijdsopbouw hieronder is aangegeven.

Op dit bedrijf zagen we aanvankelijk dat relatief veel jonge koeien werden afgevoerd maar dat de koeien het vanaf de 5e lactatie nog goed volhielden (blauwe balken). Omdat de jongveeopfok zeer goed was en het bedrijf door de dierenarts intensief werd begeleid, zou het goed mogelijk moeten zijn de uitval vóór de 6e lactatie te verminderen. Dat lukte met als gevolg dat intussen veel koeien de 6e lactatie hebben bereikt. De verwachting is dat dit zich doorzet naar de volgende lactaties met de kans op een sterk verhoogde uitval in de jaren daarna. Om te voorkomen dat het in relatief korte tijd gebeurt worden bij de selectie voor de aanfok sommige oudere koeien niet meer benut en soms afgevoerd, ondanks dat ze nog redelijk functioneren. De afvoerleeftijd was ruim 8,5 jaar.

Bij dit bedrijf zien we een leeftijdsopbouw die sterk overeen kwam met het populatiemodel (blauwe kolommen). Veel uitval in de vroege lactaties en maar weinig koeien halen de volwassen leeftijd. Omdat het bedrijf zich sterk richt op productieverhoging om de levensproductie te verhogen, komt de levensduur onder druk te staan. Er worden maatregelen genomen die de problemen bij de hoge productie kunnen beperken zoals fokken op persistentie. Er wordt vooruitgang geboekt en het aantal koeien in de middelste lactaties is toegenomen. Hoewel de levensduurcijfers nog geen uitgesproken resultaat laten zien, is dat in de leeftijdsopbouw al wel te zien (rode kolommen). De gemiddelde leeftijd bleef nog ondergemiddeld en afvoerleeftijd lag op het gemiddelde en de levensproductie op ruim 47.000 kg. Door groei is het aantal vaarzen nog relatief hoog.

Aanvankelijk zagen we op dit bedrijf ook een patroon dat lijkt op het populatiemodel, maar er volgde een duidelijke verschuiving van het aantal koeien per lactatienummer tot en met de 6e lactatie. Er werden verschillende maatregelen genomen zoals optimalisatie van de jongveeopfok, van het vruchtbaarheidsmanagement en aanhoud- en afvoerbeleid. Met name de laatste heeft op deze korte termijn van ruim 3 jaar veel effect gehad. Geen koeien afvoeren die nog best een of meer lactaties mee kunnen omdat er drachtige pinken “in de wacht staan”. Dat wordt de Gouden regel genoemd waar we in paragraaf 1.5 op terugkomen. De gemiddelde leeftijd steeg naar ruim 5 jaar en de afvoerleeftijd naar 7 jaar. Daardoor steeg de productie en de levensproductie bedroeg ruim 49.000 kg.

De invloed van de stierkeuze

Vanaf eind jaren negentig is er veel aandacht voor de rol van de fokkerij bij de levensduurverlenging. Tot nog toe heeft dat weinig opgeleverd ondanks dat bepaalde genetische aanleg wel is verbeterd. Maar zoals we in  paragraaf 1.5 uitleggen gaat het om veel meer dan de genetische aanleg en dat is wat we ook zien in het project geef-ze-de-vijf! in een relatief korte tijd is er een belangrijke verschuiving in de leeftijdsopbouw. Dat kan niet de invloed van de stierkeuze zijn, daar is de tijd te kort voor geweest (3,5 jaar). Het zijn de andere factoren zoals maatregelen in het dagelijkse management, in de stal en bij het aanhoud- en afvoerbeleid die het verschil maken. De Gouden regel dat je een koe pas afvoert als ze de volgende lactatie naar verwachting niet meer door zal komen, heeft hier een grote invloed (zie 1.5). Sommige bedrijven hebben een sterk afwijkend aanhoudingsprofiel omdat ze doelgericht over meerdere jaren eigen keuzes hebben gemaakt. Het laat zien hoe belangrijk de eigen bijdrage is. Het kost het minst, alleen vakbekwaamheid en motivatie, en het levert het meeste op.

Figuur rechts. De aanhoudingsprofielen van twee groepen stieren.

Het aanhoudingsprofiel laat zien hoeveel van de dochters van een stier na een bepaald aantal jaren na de eerste keer kalven nog in productie zijn. Het profiel van de 10 stieren met de minste levensduurdochters laat een duidelijke uitval zien vanaf de eerste lactatie. De afname gaat gestaag door tot er na 3 jaar nog maar 40% van de dochters in productie is. 70% van de dochters haalt de 4e lactatie niet. Van de 10 stieren met de meeste levensduurdochters is ongeveer 45% van de dochters na 5 jaar nog in productie en ca. 25% na 7 jaar. Wil je naar gemiddelde afvoerleeftijd van 5 jaar, dan moet de uitval in de eerste lactatie veel lager zijn en moet zo’n 50% na 5 keer kalven nog in productie zijn. Bij een gemiddelde productieve leeftijd van 5 jaar nog ca. 65%. Het gaat er vooral om zoveel mogelijk koeien met name in de eerste lactaties in productie te houden. Economisch is dat ook het meest aantrekkelijk, maar met de fokkerij alleen ga je dat niet redden. Kijk voor uitleg over de aanhoudingsprofielen van stieren in deze VERDIEPING.

Wat is haalbaar?

Welke levensduur is haalbaar op je eigen bedrijf? Op de eerste plaats hangt veel af van je motivatie. Het kan je 20% meer inkomen opleveren, ongeacht de melkproductie, en daar moet je je voor willen inzetten. Hoe hoger de productie is hoe lastiger het wordt, maar bij elk productieniveau levert een langere levensduur je meer geld op. We zien dat sommige melkveehouders met een ver bovengemiddelde productie ook een bovengemiddelde levensduur bereiken, maar nog altijd meer dan een jaar onder de 5 productieve jaren. Zoals een topmelker met een bijna 15.000 kg rollend jaargemiddelde productie eens zei: “Een jaar erbij lukt nog wel maar daarna wordt het toch wel erg lastig. Dan begint de genetica een rol te spelen en dan moet je dus alleen de beste bewezen stieren kiezen”.

Bij een productieve levensduur bij afvoer van gemiddeld 5 jaar ligt de afvoerleeftijd rond 7 jaar. Het vervangingspercentage ligt rond 20%. Vergelijkbaar met de stieren met de meeste duurzame dochters. Zouden we een gemiddelde productieve leeftijd van 5 jaar willen bereiken, dan zou de afvoerleeftijd gemiddeld ruim 9 jaar zijn en het percentage vervanging rond 14%. Zoals hiervoor aangegeven zijn maatregelen in het management en de huisvesting die gericht zijn op gezondheid en welzijn zeer effectief, zeker op de kortere termijn. Daar kom je niet met een andere stierkeuze, die is wel aanvullend. Uit het project Geef-ze-de-vijf! blijkt een levensduurverlenging over meerdere jaren van gemiddeld één tot twee maanden per jaar goed mogelijk. Op de kortere termijn kan dat flink hoger liggen als het aanhoud- en afvoerbeleid daarop wordt ingericht. Lees daarover meer in paragraaf 1.4.

Aandachtspunten en tips

  • Houd niet te krap jongvee aan. Een wat ruimere keuze en rekening houden met onvoorziene uitval voorkomt dat je vreemd jongvee aan moet kopen;
  • Door bij elke MPR-uitslag de leeftijdsopbouw vast te leggen kun je de ontwikkeling van het leeftijdspatroon goed volgen en daarop inspelen;
  • Hanteer de GOUDEN REGEL voor levensduur: voer geen koeien af waarvan je verwacht dat ze nog een lactatie mee kunnen en die niet minder produceren dan een vaars (Zie paragraaf 1.4);
  • Als koeien ouder worden ken je je koeien beter en kun je hun sterkten en zwakten beter herkennen. In dat opzicht wordt het gemakkelijker om ze te managen;
  • Je oudere koeien zijn beter bestand gebleken tegen de bedrijfsomstandigheden, maar ze gaan wel ouderdomsverschijnselen en slijtage vertonen. Als je daar in de bedrijfsvoering rekening mee houdt hoeft dat geen probleem te zijn;
  • De balans tussen fokkerij, bedrijfsvoering en leefomgeving (KBL, zie paragraaf 1.4) bepaalt hoever je komt. Stem dat af op de toenemende leeftijd;
  • Oudere koeien vragen niet meer werk vanwege problemen anders waren ze niet gebleven. Problemen krijg je door een slechte gezondheid en aanleg.