In Nederland wordt van de stieren bijgehouden hoeveel dochters er na een bepaald aantal jaren nog in productie zijn, vanaf de eerste keer dat ze afkalven tot 7 jaar daarna. Dat is een zeer waardevolle bron van informatie over de levensduur. Het is tenslotte het echte bewijs van de levensduur van de dochters en dus met een maximale betrouwbaarheid. Dat is een welkome aanvulling op het gebruik van de genomicsfokwaarden die de nodige onzekerheden kennen.
We kunnen dus op een andere manier naar de invloed van de stier op de levensduur kijken. Er kan een beoordeling worden gemaakt aan de hand van deze zogenaamde aanhoudingscijfers, het het omgekeerde van de uitval. Het aanhoudingscijfer is het percentage dochters van stieren dat na een bepaald aantal jaren na de eerste keer afkalven nog in productie is. De registratie gaat tot 72 maanden na de eerste keer afkalven. Door het aantal dochters dat in een bepaalde lactatie nog in productie had kunnen zijn te vergelijken met het aantal dat daadwerkelijk nog in productie is, kan een waarde worden berekend. Hoe hoger de waarde hoe beter de aanhoudingscijfers.

5.2. Harde cijfers over de levensduur: de aanhoudingscijfers
De berekening van het aanhoudingsgetal
Het aanhoudingsgetal dat een stier krijgt wordt berekend uit het verschil tussen de aanhoudingspercentages van de dochters van een stier op 12, 24, 36, 48 en 60 maanden na de eerste keer kalven en het landelijk gemiddelde op dat moment. Elk volgend meetmoment zijn er weer minder dochters in productie. Omdat met het ouder worden de kans op afvoer steeds verder toeneemt, telt elk extra jaar dat een dochter nog in leven is zwaarder mee in het aanhoudingsgetal bij wijze van ‘beloning’. Een lager percentage dan gemiddeld wordt ‘bestraft’. De verschillen op de achtereenvolgende meetmomenten worden dus ‘gewogen’ beginnend met 1x het verschil bij 12 maanden tot 5x het verschil bij 60 maanden. Voor de betrouwbaarheid moet een stier minimaal 100 dochters hebben. In tabel 1 hebben we een voorbeeld van 2 stieren gegeven. Stier A met een bovengemiddeld aanhoudingsgetal en stier B met een ondergemiddeld aanhoudingsgetal. Heeft een stier op een bepaald meetmoment niet voldoende dochters dan telt dat meetmoment niet mee in de berekening, maar de stier krijgt wel een aanhoudingsgetal zodra hij 100 dochters of meer in productie heeft.
Tabel 1. Voorbeeldberekening van het aanhoudingsgetal van een stier met bovengemiddelde levensduur van zijn dochters (A) en een met een ondergemiddelde levensduur van zijn dochters (B). (Bron: NVO-veeverbetering 2021).

De (leef)tijd zal het leren
In figuur 5.1.2 zijn 570 stieren waarvan de aanhoudingscijfers in 2019 bekend waren, gerangschikt naar aanhoudingsgetal. Stier nummer 1 heeft de hoogste waarde en stier nummer 570 de laagste. Te zien is dat op 12 maanden (de blauwe lijn) het verschil in aantal dochters tussen de de eerste en de laatste stieren ca. 10% is. Ofwel, het verschil in aantal dochters dat op 12 maanden na de eerste keer kalven nog in productie is, is klein. Dat verschil neemt toe neemt toe naarmate er meer generaties dochters aan de melk komen. Op 60 maanden (paarse lijn) is het verschil tussen de “beste” en “slechtste” stieren qua aanhoudingscijfers opgelopen tot 25%. Dat betekent dat de stieren die een hoog aanhoudingscijfer hebben zich na meerdere generaties dochters steeds beter in positieve zin onderscheiden in overlevingskans van hun dochters. Van hun dochters is na 72 maanden nog 25% in productie tegen ca.7% van de stieren met de laagste aanhoudingcijfers.

Figuur 5.1.2. Rangschikking van 570 stieren naar volgorde van het percentage van hun dochters dat na een bepaald aantal maanden nog in productie is (bron: NVO-veeverbetering 2019).
Wat de boer wil telt ook!
Maar ook de aanhoudingscijfers zeggen niet alles. Want heeft een koe met een lange levensduur ook de andere kwaliteiten? Kennelijk hebben ze wel iets wat melkveehouders aanspreekt anders waren ze al afgevoerd, maar niet elke melkveehouder stelt dezelfde eisen. Zo zullen melkveehouders uit de weideprovincies minder nadruk willen leggen op de productie omdat ze vaak geen onvoldoende snijmais hebben. Weiden vraagt een wat andere koe.
Ter illustratie zijn in grafiek 5.1.4. de stieren gerangschikt naar aanhoudingscijfers van de dochters (groene lijn) met daarnaast is de melkproductie-aanleg van die stieren ten opzichte van het gemiddelde weergegeven. Uit de grafiek blijkt dat de levensduur niet gecorreleerd is met de melkproductie. De productie varieert sterk wat wil zeggen dat de aanhouding niet representatief is voor de melkproductie of andersom. Op basis hiervan mogen we niet concluderen dat er een directe relatie bestaat tussen de levensduur en de melkproductie. Met andere woorden, het zijn ook andere factoren zoals de omgevingsfactoren of andere genetische kenmerken en het aanhoud- en afvoerbeleid die van invloed zijn op de levensduur. Ook hier geldt het KBL-principe. En wellicht is het aanhoud- en afvoerbeleid van de melkveehouder wel het meest bepalend. Dat kunnen we hier dus niet uit afleiden.

Figuur 5.1.4. Stieren gerangschikt naar het afnemend percentage dochters dat na 72 maanden nog in productie is met daarbij de fokwaarde voor melkproductie per koe (bron: NVO-veeverbetering 2020)
Om de resultaten van je eigen inspanningen te kunnen beoordelen kun je het aanhoudingsprofiel van je eigen veestapel maken op basis van het MPR-jaaroverzicht (jaargemiddeld) of MPR-dieroverzicht (meest actueel). Lees in deze VERDIEPING daar meer over.
Aandachtspunten en tips
- Baseer je stierkeuze op sterk gecorreleerde kenmerken en zoveel mogelijk op bekende oorzaak-gevolg relaties;
- Omgevingsinvloeden hebben meer effect naarmate de erfelijkheidsgraad van een kenmerk lager is. Bij een lage erfelijkheidsgraad is het dus zaak om het ook zelf bij te sturen;
- Kies je voor voor kenmerken met een hoge erfelijkheidsgraad, dan is de invloed van de omgeving op het resultaat kleiner en is het resultaat sneller merkbaar, zoals bijvoorbeeld kenmerken in de bouw en de melkproductie;
- Hoe lager de erfelijkheidsgraad hoe langer je moet fokken om op een hoger genetisch niveau te komen;
- Wil je een kenmerk met een lage erfelijkheidsgraad verankeren in het koppel, zoals vruchtbaarheid, voer dan een consequent fokbeleid want een wezenlijke genetische verbetering krijg je alleen door gedurende meerdere jaren gericht op het kenmerk te fokken;
- Stel je hoge eisen aan de koeien dan moeten ze daarvoor wel kwaliteiten hebben. Doe je dat niet, dan zal de levensduur onder gemiddeld blijven en het resultaat economisch niet optimaal zijn.
Een stier kan goede erfelijke eigenschappen hebben, maar dat wil niet zeggen dat die ook per definitie in de nakomelingen zijn terug te zien. Het zijn de omgevingsfactoren die mede bepalen of dat het geval is.

