Het aanhoudingsprofiel van je bedrijf

Het aanhoudingsprofiel van de stieren

De aanhoudingscijfers van stieren laten grote verschillen zien in het percentage vervanging tussen dochters van “levensduurstieren” en “niet-levensduurstieren”. Bij de 10 beste levensduurstieren is 5 jaar na de eerste keer kalven nog 45% van de dochters in productie en na 7 jaar nog altijd 25%. Het vervangingspercentage ligt rond 20%. Bij de niet-levensduurstieren is dat na 5 jaar nog maar 15% en na 7 jaar bijna geen meer. Het vervangingspercentage ligt rond 36%. Hoe belangrijk is dat, hoe groot is de invloed van de genetica, en wat is de relatie met de eigen veestapel?

Het aanhoudingsprofiel van je eigen veestapel

Vergelijkbaar met het aanhoudingsprofiel van de stieren is het aanhoudingsprofiel van de eigen veestapel: het aantal koeien in de achtereenvolgende lactaties. We noemen dat de leeftijdsopbouw van de veestapel. Daarmee kun je ook zien wanneer de meeste koeien worden afgevoerd. Het gemiddelde afvoerpatroon van een grotere groep bedrijven, zoals bijvoorbeeld de pilotgroep Geef-ze-de-vijf!  blijkt sterk overeen te komen met het gemiddelde bij de stieren. Daaruit blijkt dat de stieren zeker invloed hebben gehad. Maar gemiddeld gezien heeft het fokkerijbeleid wel geleid tot het veel te vroeg uitvallen van de koeien. In de praktijk zien we dat individuele bedrijven daar sterk van af kunnen wijken onder invloed van het management. Het kan beter maar ook slechter.

In de figuur hiernaast staan de aanhoudingsprofielen/leeftijdsopbouw van een praktijkbedrijf uit de pilot Geef-ze-de-vijf! in 2019 en 2022 nadat vanaf 2019 gericht maatregelen zijn getroffen om de levensduur te verlengen. Het aantal vaarzen is afgenomen en vanaf de 3e lactatie neemt het aantal koeien per lactatienummer toe. De afvoerlijn verloopt minder steil en het aantal oudere koeien is duidelijk toegenomen. Het voordeel van deze manier van beoordelen is dat direct zichtbaar is of het bedrijf is gegroeid, met een lagere gemiddelde leeftijd tot gevolg, maar dat de verduurzaming toch duidelijk in beeld komt door de toename van de oudere koeien. Ook zonder dat de afvoerleeftijd is toegenomen.

De afzonderlijke profielen van de 30 deelnemers aan de pilot zijn heel verschillend door het type maatregelen dat ze hebben genomen. Die bepalen namelijk op welke groep ze vooral effect hebben gehad. De “gouden regel voor levensduur” heeft bijvoorbeeld vooral effect op de wat oudere koeien. De jongvee-opfok en het managen van de vaarzen heeft vooral effect op de jongere koeien.

Het aanhoudingsprofiel van een duurzaam koppel

Hoe ziet het aanhoudingsprofiel van een bedrijf met een productieve levensduur bij afvoer van gemiddeld 5 jaar eruit? De afvoerleeftijd ligt dan rond 7 jaar. Het vervangingspercentage ligt rond 20%. Vergelijkbaar met de meest duurzame stieren. Zouden we een gemiddelde productieve leeftijd van 5 jaar willen bereiken, dan zou de afvoerleeftijd gemiddeld ruim 9 jaar zijn en het percentage vervanging rond 14%. Daar moet dus veel meer gebeuren dan het kiezen van levensduurstieren. In de praktijk blijkt dit nog niet zo eenvoudig. In het project Geef-ze-de-vijf! heeft een aantal melkveehouders een afvoerleeftijd van 8 jaar of meer bereikt, maar de gemiddelde leeftijd van de veestapel ligt daar nog steeds ruim onder. Het verhogen van de gemiddelde leeftijd gaat langzamer dan het verhogen van de afvoerleeftijd. Ook al zijn ze onderling gecorreleerd.

In de figuur hiernaast staan voor verschillende situaties de aanhoudingsprofielen weergegeven.
Het profiel van de 10 stieren met de minste levensduurdochters laat een duidelijke uitval zien vanaf de eerste lactatie. De afname gaat gestaag door tot er na 3 jaar nog maar 40% van de dochters in productie is. 70% van de dochters haalt de 4e lactatie niet. Na 7 jaar zijn er bijna geen dochters meer in productie.
Het profiel van de 10 stieren met de meeste levensduurdochters laat een minder sterk verloop in de afvoer zien. Ongeveer 45% van de dochters is na 5 jaar nog in productie en ca. 25% na 7 jaar.
Wil je naar een veestapel met een gemiddelde afvoerleeftijd van 5 jaar, dan moet de uitval in de eerste lactatie veel lager zijn en moet bijna 50% na 5 jaar nog in productie zijn. Bij een gemiddelde leeftijd van 5 jaar nog ca. 65%. Het gaat er vooral om zoveel mogelijk koeien met name in de eerste lactaties in productie te houden. Economisch is dat ook het meest aantrekkelijk.

De invloed van het levensduurmanagement

In het project geef-ze-de-vijf! zien we in een relatief korte tijd een belangrijke verschuiving in het aanhoudingsprofiel. Dat kan niet de invloed van de stierkeuze zijn, daar is de tijd te kort voor geweest (3,5 jaar). Het zijn de andere factoren zoals maatregelen in het dagelijkse management, in de stal en bij het aanhoud- en afvoerbeleid die het verschil maken. De “gouden regel” dat je een koe pas afvoert als ze de volgende lactatie naar verwachting niet meer door zal komen, heeft hier een grote invloed. Sommige bedrijven hebben een sterk afwijkend aanhoudingsprofiel omdat ze doelgericht over meerdere jaren eigen keuzes hebben gemaakt. Het laat zien hoe belangrijk het management is. Het kost het minst, alleen vakbekwaamheid en motivatie, en het levert het meeste op.

In de figuur rechts een voorbeeld van een aanhoudingsprofiel van een bedrijf uit de pilotgroep Geef-ze-de-vijf! waarbij duidelijk het grillige patroon is te herkennen in de leeftijdsopbouw. Vanaf het eerste jaar is sterk ingezet op het in productie houden vanaf de eerste lactatie. Het gevolg daarvan is dat steeds minder vaarzen nodig zijn, het aantal koeien in de 3e en 4e lactatie sterk toeneemt, in tegenstelling tot wat we doorgaans zien, en uiteindelijk veel oudere koeien. Als de koeien in 5e en 6e lactatie verder doorschuiven ontstaat een “stuwmeer” van oudere koeien, deels met een leeftijd flink boven de 9 jaar en met een toenemende kans op uitval. Om te voorkomen dat er een gat valt in het aanbod van pinken is daar op ingezet en zijn in het vierde jaar meer vaarzen ingestoken. De opfok daarvan begon twee jaar eerder. Levensduurmanagement is dus ook een kwestie van plannen.
Hoewel de gemiddelde leeftijd iets is gedaald door het groter aantal vaarzen en de afvoer van enkele oudere koeien, is hier sprake van een goed levensduurmanagement. De inzet van de melkveehouder is om het profiel geleidelijk aan wat gelijkmatiger te maken en dat kost een paar jaar.

Wat is haalbaar?

Welke levensduur is haalbaar op je eigen bedrijf? Op de eerste plaats hangt veel af van je motivatie. Het kan je 20% meer inkomen opleveren, ongeacht de melkproductie, en daar moet je je voor willen inzetten. Hoe hoger de productie is hoe lastiger het wordt, maar bij elk productieniveau levert een langere levensduur je meer geld op. We zien dat sommige melkveehouders met een ver bovengemiddelde productie ook een bovengemiddelde levensduur bereiken, maar nog altijd meer dan jaar onder de 5 productieve jaren. Zoals een topmelker met een bijna 15.000 kg rollend jaargemiddelde productie eens zei: “Een jaar erbij lukt nog wel maar daarna wordt het toch wel erg lastig. Dan begint de genetica een rol te spelen en dan moet je dus alleen de beste stieren kiezen”.

Kantelpunt en stierkeuze

Werken aan een duurzame veestapel betekent zo min mogelijk koeien afvoeren. Omdat oudere koeien op een zekere leeftijd toch uitvallen is het zaak zoveel mogelijk koeien over dat kritische punt heen te krijgen. Momenteel ligt dat in de 3e en 4e lactatie en dat is veel te vroeg. In de aanhoudingsprofielen van de deelnemende bedrijven van Geef-ze-de-vijf! zien we dat kantelpunt geleidelijk verschuiven. Volgens de deelnemers van Geef-ze-de-vijf! zou het mogelijk moeten zijn om een afvoerleeftijd van 9 jaar te bereiken, maar het is wel een kwestie van een lange adem en de juiste maatregelen. De stierkeuze maakt daar zeker onderdeel vanuit. Daarbij gaat het vooral om sterk gecorreleerde levensduurkenmerken zoals gezondheidskenmerken, vruchtbaarheid, persistentie, laatrijpheid en een functionele bouw.

Wat je in het aanhoudingsprofiel van een praktijkbedrijf hiernaast kunt zien is dat leeftijdsgroepen in het koppel geleidelijk aan veranderen met het ouder worden van het koppel. De stippellijnen geven de trend weer. Het aandeel oudere koeien neemt geleidelijk aan toe. En het kantelpunt waarop de meeste koeien afgevoerd worden is verplaatst naar een gemiddeld oudere groep. En dat is wat je wilt zien. Ook wordt dan duidelijk dat het nooit een vloeiende lijn wordt zoals het gemiddelde van een groot aantal dochters bij de stieren. Dat is iets wat bij de dagelijkse praktijk hoort; je weet nooit precies wat je te wachten staat en onverwachte zaken kunnen soms een flinke invloed hebben.

Wat we in de praktijk ook zien is dat er soms een “stuwmeer” aan oude koeien ontstaat wanneer maatregelen ertoe leiden dat nauwelijks nog jonge koeien uitvallen. Ze schuiven dan geleidelijk aan bijna allemaal door naar de latere lactaties waardoor er moment komt dat er veel oude koeien zijn met een verhoogd risico op uitvallen. Daar moet je op tijd op inspelen om te voorkomen dat je dan te weinig jongvee hebt als er ineens veel koeien afgevoerd moeten worden. De kunst is om het koppel op den duur in evenwicht te krijgen.

Tips en aandachtspunten

  • De afvoerleeftijd wordt vaak als graadmeter gebruikt maar die schommelt voortdurend. Laat je daardoor niet van de wijs brengen;
  • De gemiddelde leeftijd schommelt veel minder sterk en kun je zelf als graadmeter gebruiken;
  • Als meer oude koeien worden aangehouden daalt de afvoerleeftijd en stijgt de gemiddelde leeftijd;
  • Als enkele oude koeien zijn afgevoerd daalt de leeftijd en stijgt de afvoerleeftijd;
  • Een voortschrijdend gemiddelde afvoerleeftijd over drie jaar geeft nog geen goed beeld van de stand van de duurzaamheid van je koppel. Het profiel zegt veel meer;
  • Maak van het eigen bedrijf eens een aanhoudingsprofiel door het aantal koeien per lactatienummer in een grafiekje te zetten. Je kunt daarbij het dieroverzicht uit de MPR gebruiken waarbij je de koeien eerst selecteert op lactatienummer (ln) om ze gemakkelijker te kunnen tellen.

Lees in deze VERDIEPING meer over de relatie levensduur en productie