Verschillen in correlaties met levensduur en aanhoudingscijfers
De aanhoudingscijfers geven de hoogst denkbare betrouwbaarheid voor het fokken op levensduur. Worden de correlaties vergeleken van specifieke kenmerken met de fokwaarde voor levensduur en met de aanhoudingscijfers dan zien we ook grote verschillen. Kenmerken waarvoor een bepaalde correlatie met de fokwaarde voor levensduur is berekend blijken een sterkere of juist een zwakker correlatie te hebben met de aanhoudingscijfers. In tabel 1 is dat aangegeven. Duidelijk is dat correlaties met aanhoudingscijfers veel zwakker zijn en dat ze rangorde ook niet hetzelfde is als bij de correlaties met de levensduurfokwaarde. Dit duidt op onbetrouwbaarheid van de statistische berekeningen van de fokwaarden voor de specifieke kenmerken en/of van de levensduur zelf. Aangezien de berekening van de fokwaarde voor levensduur een tamelijk complexe samengestelde fokwaarde is, is de kans op een lage betrouwbaarheid relatief groot.
Correlaties of oorzaak-gevolg?
Correlaties laten zien dat er een meer of minder sterk verband is tussen twee kenmerken, maar ze zeggen niets over de oorzaak-gevolg relatie. Uit onderzoek is bijvoorbeeld bekend dat laatrijpheid en persistentie bijdragen aan de gezondheid en levensduur langs fysiologische weg. Die relatie is sterk maar dat zie je niet terug in correlatie die we hiervoor hebben aangegeven omdat die niet zijn berekend op basis van fysiologische achtergronden maar maar op statistische verbanden tussen fokwaarden. Bij de aanhoudingscijfers gaat het om een correlatie tussen fokwaarden en “harde cijfers” dus er blijft een zekere mate van onzekerheid en spreiding. Het blijft immers genetica.